Ik word
wakker door gestommel beneden aan de trap, sluip op blote voeten naar de
overloop en steek mijn hoofd tussen de spijlen. Ik zie moeke met een zak
aardappelen sleuren en die bij de voordeur zetten. Er staat ook al een grote
koffer met daarop onze jassen en dikke dekens. Ze kijkt op en ziet me.

‘Ga u een
beetje wassen, Mien,’ zegt ze. ‘En dan moogt ge uw communiekleren aantrekken’.

‘Waarom?’

‘Het
feest gaat niet door en het is zonde om dat schoon kleedje te verkreukelen in
de koffer.’

‘Waarom,
moeke?’ Mijn keel doet zeer.

‘Omdat we
nu vertrekken en geen gezeur!’

‘En mijn
kroontje?’

‘Laat dat
maar hier. Dat hebben we daar niet nodig. En haast u een beetje. Sjarel zal er
zo zijn.’

‘En
vake?’

‘Die is
weg. Hendrik ook.’

‘Waar is
vake?’ Ik krijg geen lucht meer.

Moeke
loopt de woonkamer in en antwoordt niet. Een golf van verdriet overspoelt me.
Ik tier en huil, ben ontroostbaar.

‘Geen
gedoe, Hermina!’ roept moeke vanuit de keuken. Ze lijkt heel boos.

Snikkend
stap ik in mijn zijden jurk. De parelmoeren knoopjes blijven open tot moeke
even de tijd ziet om ze dicht te maken.

‘Waar
gaan we nu naartoe?’ snik ik zachtjes.

‘Dat weet
ik nog niet, Mien. Ik weet alleen dat we hier weg moeten.’