Vake
kijkt me aan, wil nog iets zeggen maar zwijgt en rijdt verder.

‘Hoort ge
dat, Mieneke?’ vraagt hij plots, bijna fluisterend. Ik luister gespannen.

‘Neen, ik
hoor niets speciaals. Wat moet ik horen, Vôtje?’

‘Onze
motor. ’t Is een stille. Hij draait precies op boter.’

‘Ja, nu
hoor ik het ook.’ Vake glimlacht.

‘Als ge
rijdt, moet ge altijd naar uwe motor luisteren. Hij vertelt u alles wat ge als
chauffeur moet weten. Onthoudt ge dat, Lievekin?’

Ik knik
overtuigend.

‘Het
vlakke land ligt nu achter ons. Hier komen de eerste heuvels van de Ardennen.’

De wegen
gaan omhoog en omlaag en worden witter. We rijden dwars door sparrenbossen.

‘Nu rem
je op je motor, hé Vôtje?’

Vake
heeft een gouden tand rechts boven en die blinkt als hij lacht.

‘Straks
wordt het lastiger, Lievekin. Dan zijn we zwaar geladen.’

‘Maar gij
kunt goed rijden, hé Vôtje?’

Daar is
die tand weer. Ik vind hem mooi. Ik wil later ook zo’n gouden tand.

We
stoppen tussen twee bergen opeengestapelde boomstammen en stappen uit in de
sneeuw. Nu staan we onder een grote kraan.

‘Kom’,
zegt vake. ‘Eerst naar het bureau in de loods om mijn papieren van Foresco af
te geven.’

Zijn
grote zolen maken voeten in de sneeuw en ik stap er telkens in. Mijn benen zijn
al bijna zo lang als die van vake, mijn schoenen gelukkig kleiner. Ik heb nu al
maat 39, de grootste voeten van de klas en dat vind ik niet fijn; zelfs de juf
heeft maar een maatje 37.