Als we
met de geïmproviseerde aanhangwagen van nonkel Sooi de hoek om dobberen, zie ik
vake al van verre staan. Hij wuift. Mijn hart bonst en tranen wellen op. Mijn
vake!

Hij pakt
me stevig onder de oksels en tilt me uit de wagen.

‘Verdorie,
gij zijt zwaar geworden!’ grapt hij. Ik kan alleen maar huilen. Van geluk, van
ellende, van alles tegelijk.

‘Kamiel!
Ziet eens! Ze zijn allemaal teruggekomen!’

‘Is onzen
Hendrik er niet?’ vraagt moeke.

Vake
kijkt vragend naar nonkel Sooi en haalt zijn schouders op.

‘Hij
woont nu in ’t Klein Kasteeltje en voor zover ik weet zijn ze op patrouille. Ik
heb hem al lang niet meer gezien’, zegt hij quasi achteloos. ‘Kom maar binnen.
Ge zult wel honger hebben!’

Het is
weer wennen, ook aan mijn eigen bed. Ik lig te turen in het grijze donker van
de avond en frunzel aan de gehaakte sprei uit Estipouy. ‘Neem hem maar mee’,
had de kasteelheer met een knipoog gezegd en ik had het zonder aarzelen gedaan.

Ik wil
niet inslapen, ik ben bang. Bang dat ik ook de droom heb meegebracht. Bang voor
de schreeuw, voor natte lakens. Amper een paar uur later zit moeke op de rand
van mijn bed, wiegt me in haar armen ‘Stil maar, Mieneke, stil maar, ’t is
niets…’ en dan pakt ze verse lakens uit de kast.

‘Zit er
iemand op zolder, moeke? Ik hoor precies iets.’

‘’t Is
vake. Hij luistert naar de radio.’

Dagelijks luisterde onze va op zijn zolder
om middernacht met het radiotoestel aan zijn rechteroor naar “Radio België”, de
verboden en door de Duitsers fel verstoorde Engelse zender, om op de hoogte te
blijven van de ontwikkelingen. Nu had hij ons moe en zijn gezin terug en hoewel
zij naast haar huistaak ook de initiatiefneemster, de organisatrice van zijn
afspraken en ritten en zijn persoonlijke accountant was, zag ze zijn inkomen
naar nul dalen, want hun opdrachtgevers konden niet meer aan grondstoffen
geraken. Anderzijds probeerde hij zijn vrachtwagen zoveel als mogelijk voor de
Duitsers verborgen te houden in zijn loods achteraan het huis, nadat hij had
vernomen dat een collega elke dag voor de Duitsers moest rijden en hij was als
de dood om als “zwarte” aangezien te worden.

‘Op
Estère kunnen we niet meer rekenen’, zegt moeke op een middag aan tafel. ‘De
moffen hebben haar verplicht om voor hen te werken. Ze mag alleen nog maar
soldatenuniformen maken. Haar naaimachine staat niet meer stil.’

‘Verplicht,
verplicht…’, bromt vake. ‘Ze had ook nee kunnen zeggen.’

‘Dat denk
ik niet, Klaas. Dat denk ik écht niet. En daarbij… op deze manier kan ze
tenminste een goeie cent verdienen, er is zo al armoe genoeg.’

Vake
blijft brommen, maar moeke zegt vastberaden:

‘En wij
ook, Klaas. Wij moeten het geld halen waar het te halen valt. Denk eens efkes
goed na: wie heeft er nu camions nodig, en waarvoor? Zeker de Duitsers, voor de
bevoorrading van hun troepen en voor het opruimen van al het puin dat ze maken
met hun bommen. Kapotte inboedels en steenbrokken zat, overal. Wij kunnen die
opladen en wegbrengen. En wie weet welke voordelen daar nog aan vasthangen.’

‘Over
mijn lijk. Ik wérk niet voor die mannen, Marie, en gij weet dat maar al te
goed!’

‘Laat ons
dan maar verhongeren!’ roept moeke uit. Ze gooit haar vork in haar bord, vliegt
naar de deur, slaat ze met een klap achter zich dicht en stormt de trap op. We
kijken bangelijk naar mekaar. Tot aan het avondeten zien we haar niet meer.

September 1941. Het leven in de stad mocht dan wel
stabiel lijken, het was er niet beter op geworden. Duitse soldaten lagen
ingekwartierd in aangeslagen huizen, scholen en kloosters en overheersten het
straatbeeld. We hoorden de gelederen van verre aanmarcheren. De discipline die
het perfect ritmische gedreun van de zwarte laarzen uitstraalde, hing voelbaar
tussen de gevels en sommige officieren lieten niet na om een soldaat die niet
perfect in het gelid liep, vóór onze ogen met schreeuwende stem en brute hand
uit de rij te halen. Ik liep dan gauw naar binnen. Op zondag, als er na de mis
veel volk op de markt was, moest het slachtoffer dan exerceren tot vermaak van
de aanwezigen, met een zware rugzak op de rug: vallen, opstaan, vallen,
opstaan… wel twintig keer de hele markt rond, tot hij er uiteindelijk met
bebloede knieën bij neerviel, maar niemand mocht medelijden tonen. Bomma Net
had het er moeilijk mee en hoewel Kamiel bang was van die marcherende
uniformen, stond hij er soms in zijn deurgat met open mond en vol bewondering
naar te kijken. Ja, die Duitsers waren tot in de toppen van hun tenen gedrild.
Onze eigen jongens konden daar nog een puntje aan zuigen, vond hij. Zeker die
Hendrik van hiernaast.